Zondag 22

Preek zondag 22

-Capelle, 2 december 2012

-Kees van Dusseldorp

 

 

Liturgie:

Votum en zegengroet

Ld.434:1,2 [schoolpsalm]

Gebed 

Lezen:zondag 22

Ld.300:1,4

Lezen:Job 19:23-27

Fil.1:18-26

Heb.2:14-18

Ps.49:4,5

Preek

Gz.114:1,3,4,6

Geloofsbelijdenis

Gz.71 [2x: canon]

Gebed

Collecte 

Ps.73:9,10

Zegen 

 

 

Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus.

odat geeft uitzicht

odat geeft verlangen

odat geeft kracht

 

 

PREEK 2 DECEMBER 2012. CAPELLE AAN DEN IJSSEL. KEES VAN DUSSELDORP.

LEZEN: JOB 19; FIL.1; HEB.2. TEKST: HC ZONDAG 22: OPSTANDING EN EEUWIG LEVEN.

 

Gemeente van Christus.

 

‘Pap, wie heeft die stenen zo raar opgestapeld?’ Een jongetje van een jaar of vijf stond bij een hunebed in de bossen van Drenthe en stond met ontzag te kijken naar de enorme stenen. ‘Dat hebben mensen vroeger samen gedaan’, zei z’n vader, ‘en die stenen liggen er nog steeds’. ‘Hoe lang liggen die stenen er dan al?’ ‘Al wel meer dan duizend jaar.’ Het jongetje dacht even na en zei toen: ‘Die mensen die dat gedaan hebben, die zijn dan nu zeker al heel oud?’ ‘Nee, jongen, die mensen leven niet meer. Ze zijn lang geleden gestorven en ze zijn waarschijnlijk in dit hunebed begraven.’ Het jongetje stond verbijsterd. ‘Dus waar ik nu loop, hebben al heel veel mensen gelopen die niet meer bestaan?’ Voor het eerst besefte hij iets van de dood en de menselijke vergankelijkheid.

 

Als mens loop je daar voortdurend tegenaan. Bij het nadenken over het verleden of de toekomst. Bij het sterven van iemand die je lief is. Bij een ongeluk of ernstige ziekte. Je komt om de sterfelijkheid van de mens niet heen. Nu zou dat geen probleem zijn, als het om een theoretisch onderwerp ging. Maar in dit geval lukt dat niet. Want als alle mensen moeten sterven, geldt dat ook voor mijzelf! En in een mens is de angst voor de dood diepgeworteld. De dood voelt bedreigend en verontrustend. Al je zekerheden en beschermlagen worden daarmee immers opgeblazen. Het besef van vergankelijkheid en de confrontatie met de dood brengen maken en mens onrustig en angstig. Veel mensen willen er niet over praten of zelfs maar nadenken. We investeren heel veel geld in medische wetenschap om ons de dood zo lang mogelijk van het lijf te houden. We zijn bang om te sterven en kiezen liever op tijd voor levensbeëindiging. De dood roept angst op. In de Hebreeënbrief lezen we dat die angst mensen hun hele leven gevangen houdt als slaven.

 

Tegelijk is juist het besef van vergankelijkheid een aanknopingspunt voor het evangelie. Het verlangen naar onsterfelijkheid, de hoop om ook de laatste grens te overwinnen, het geeft een opening voor de christelijke leer over de toekomst. Onze natuurlijke angst toont aan, dat mensen voor het eeuwige leven zijn geschapen. Zo kan angst voor de dood je voor de poort van het leven brengen. Je stelt vanuit de onrust de vragen waarop het evangelie antwoord geeft. Het besef van vergankelijkheid kan worden gezien als het kloppen van God op de deur van ons hart. Niet dat het evangelie altijd aansluit op menselijke behoeften. Maar menselijk nood kan wel openbreken voor Gods waarheid. Wie God zoekt, hoort van Jezus Christus, die gestorven is om ons het leven te schenken tot in eeuwigheid. Iemand schreef heel treffend: van de distel van de menselijke angst, mag je de bloem van Gods vrede plukken, die je bij de Heer Jezus vindt. Vanmiddag aandacht voor de bijbelse leer over onze toekomst. Jouw en mijn toe-komst.

 

 

Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus.

1.dat geeft mij uitzicht

2.dat geeft mij verlangen

3.dat geeft mij kracht.

 

 

1.Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus. Dat geeft mij uitzicht.

 

Wij worden getraind om vooruit te denken. Wat is de stip op de horizon? Wat wil je bereiken? Over een jaar en over vijf jaar? Je wordt gedwongen om na te denken over de toekomst van het bedrijf, van de school of de kerk of van je kind. Op basis van die toekomstvisie moet beleid worden gemaakt en kunnen nu maatregelen worden geno-men. Prognose’s en begrotingen worden gemaakt en weer bijgesteld. Naar mensen met toekomstvisie wordt geluisterd: hoe plausibel is zijn theorie, hoe aantrekkelijk zijn verhaal? Misschien houd je wel van films of boeken die met veel fantasie een beeld proberen te schetsen van het leven later. De toekomst houdt mensen bezig.

 

Vooruit denken. Dan ben je benieuwd wat de bijbel zegt over de toekomst. God is de enige die hierover betrouwbare informatie kan geven. Hij overziet de eeuwen. Hij stond aan het begin. En Hij bereikt het einde. Zijn Woord over de toekomst berusten niet op fantasie, maar op waarheid. Waar zet Hij de stip op de horizon? Inderdaad staat er in de bijbel veel over de toekomst. Maar het is heel opvallend, dat in de Apostolische Geloofsbelijdenis daarover slechts twee dingen genoemd worden, die bovendien meer op de mens persoonlijk van toepassing zijn, dan op de wereld in het geheel. ‘Ik geloof de opstanding van het vlees en een eeuwig leven.’ In de catechismus krijgt het een heel pastorale uitwerking, doordat tot twee keer toe gevraagd wordt naar de troost die deze leer aan de gelovige persoonlijk biedt. Dit is niet het enige wat de Schrift zegt over de toekomst. Maar kennelijk is dit wel het belangrijkste. Praten over de toekomst van de wereld begint bij nadenken over je eigen persoonlijke toekomst.

 

Die stap is toch tegengesteld aan wat we om ons heen zien. Mensen praten wel over de toekomst, maar het liefst in het algemene. Het klimaat, de financiële crisis, de ontwikke-lingen in de zorg. Je persoonlijke betrokkenheid kun je dan nog wat verbergen. Maar de bijbel leert ons die twee dingen aan elkaar te verbinden. Met veel vrijmoedigheid wordt gesproken over mijn en jouw eigen toekomst. Dat is een stuk gelovige nuchterheid: on-der ogen zien hoe de situatie is. De dood wordt in de bijbel nooit gecamoufleerd. Inte-gendeel, juist wie de bijbel leest, komt onder de indruk hoe verschrikkelijk de dood is. Het is immers ook de straf in Gods hand op de zonde van de mensheid en de gebroken-heid van de wereld, die daaruit voortvloeit. De dood is voor niemand zo grimmig, als juist voor een kind van God.

 

En toch kunnen we in de kerk gewoon rustig over de dood praten. Waarom durven we het gewoon bij de naam te noemen, zonder dat het een rouwstemming oproept? Waar vinden we de vrijmoedigheid om zo’n vijand recht in de ogen te kijken? Hoe komt het dat de angst ons niet verlamt? Die gelovige nuchterheid ontvang je bij de Heer Jezus Christus. Hij is dood geweest en weer opgestaan. Hij is de overwinnaar over de dood en heeft de macht over de toekomst. Mijn leven ligt in zijn hand. Daarom is mijn toe-komst aan de zijne verbonden. Ik weet door Hem meer van het hiernamaals. Ik kan verder kijken dan de dood!

 

Het is die nuchterheid, die opvalt bij Paulus. ‘Ik heb nog wel zin om te blijven leven. Dan kan ik mijn werk onder u afmaken. Maar persoonlijk heb ik nog meer zin om te sterven en naar Christus te gaan. Maar ik denk dat de Heer mij hier nog gebruiken wil. Dan zal ik mij dus voor u inzetten, zolang de Heer mij daartoe roept.’ Het klinkt haast gevoel-loos, ben je geneigd te zeggen, maar dat is het niet. Paulus let op de Heer Jezus. Daarom heeft hij er geen enkel probleem mee om over de grens van de dood heen te kijken en rustig over zijn eigen sterven en toekomst te praten.

 

In dezelfde nuchtere taal vertelt de catechismus wat er met een gelovig mens gebeurt na zijn sterven. De persoonlijke toonzetting dwingt je om over jezelf te praten. Daar klinkt die gelovige nuchterheid. ‘Na dit leven wordt mijn ziel direct tot Christus opge-nomen. En later wordt ook mijn vlees opgewekt en verheerlijkt.’ Dit mijn vlees, zegt de catechismus. Je lichaam, waar je in kunt knijpen, dat je kunt voelen, waaraan je pijn kunt hebben, waarin artsen opereren. Je lichaam, dat bestaat uit botten en spieren, zenuwen en organen. Je lichaam dat een bepaalde plaats inneemt, waar niemand doorheen kan kijken. ‘Dit mijn vlees zal worden opgewekt.’ Onvoorstelbaar als je je realiseert wat er met een mensenlichaam gebeurt en kan gebeuren in en na het sterven. Dat is aangrijpend om te zeggen bij een begrafenis. Het gaat volledig tegen onze ervaring in. ‘Dit mijn vlees zal worden opgewekt.’ Maar zelfs als er niets zichtbaars van een lichaam overblijft, het is voor God geen belemmering om het lichaam weer tot leven te brengen. Zelfs Job heeft daar al besef van, hoe voorzichtig de opstanding van het lichaam in het OT ook doorschemert. ‘Mijn redder leeft. Uiteindelijk zal ik in dit lichaam God aanschouwen. Mijn eigen ogen zullen hem zien.’ Terwijl juist hij moest zien, hoe zijn lichaam wegteerde door de kwalen die hij had. Hoe zijn vlees al tijdens zijn leven tot ontbinding overging. Met het oog op zijn redder krijgt hij uitzicht. En bij Job is dat geen simpele troost, maar een geloof dat door zware aanvechting heen is gegroeid.

 

God vertelt hoe het met een mens verdergaat na het sterven. ‘Ik geloof de opstanding van het vlees.’ Zo kostbaar vindt de Heer ook jouw lichaam en uw vlees. Veel mensen vinden hun eigen lichaam lelijk. Sommige jongeren hebben een hekel aan zichzelf. Som-mige ouderen hebben er moeite mee, dat hun lichaam niet meer kan, wat hun geest wel wil. Sommige mensen verwaarlozen hun lichaam, of gaan onverantwoordelijk met hun lichaam om. Een christen past een andere houding. Niet alleen omdat God de Schepper is, die ieder mensenlichaam als een kunstwerk weeft. Maar ook omdat de Heer toezegt dat ook het lichaam zal worden opgewekt. Natuurlijk is er verschil. Je lichaam is dan volmaakt en verheerlijkt. Maar het blijft wel je eigen vlees. De verlossing van Christus betreft ons hele mens zijn.

 

Uitzicht bij een graf, uitzicht bij het nadenken over je eigen toekomst, uitzicht bij het omgaan met je lichaam. Dat geeft nuchterheid, rust en moed om verder te kijken. Dat uitzicht ontvang je van de Heer Jezus Christus. Drie keer noemt de catechismus de Christus. In Hem ligt je opstanding vast. Gegarandeerd in de kracht, waarmee Hij zelf is opgestaan. Vertrouw je toe aan de Levende Heer en ontvang de nuchterheid waarvoor de angst wegsmelt: je leert onder ogen zien wat de werkelijkheid is. Je aanvaardt zijn toezeggingen over je persoonlijke toekomst, die betrekking hebben op ziel en lichaam. Mijn verbondenheid aan Christus geeft uitzicht.

 

 

2.Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus. Dat geeft mij verlangen.

 

Juffen en meesters weten er alles van. Vaders en moeders ook. Je kind zit zo vol van iets, dat hij er steeds over wil praten. Dat kan iets zijn, waar hij naar uitziet: een verjaar-dag, een nieuwe hond, een dagje uit. Dat kan ook iets zijn, waar hij tegenop ziet: een bezoek aan het ziekenhuis, afscheid nemen van een vriendje. Je kunt het verschil trouwens wel merken: of je kind het heeft over iets leuks, of over iets spannends.

 

Het valt mij op, dat het spreken over de toekomst in onze maatschappij vaak de toon-soort heeft van de bezorgheid. Tenminste als het gaat om feitelijke ontwikkelingen. Als we het hebben over onze plannen en idealen, dan is het verlangen wel hoorbaar. Maar in het beleid doen we aan risico-analyses, worst-case-scenario’s, bedreigingen en kansen. Je hebt meer reden om ergens tegen op te zien, dan ernaar uit te kijken. 

 

Voor christenen is er reden om uit te kijken naar de toekomst, die in handen van Chris-tus ligt. Maar als ik het goed inschat, is het verlangen naar de toekomstige heerlijkheid niet sterk is. Kijk je uit naar de komst van de Heer Jezus? Misschien vandaag nog? Praat je over de eeuwigheid? Het verlangen lijkt vaak meer op een waakvlammetje, dan op een groot vuur. De meeste aandacht is gericht op het leven hier en nu. Ook de christelij-ke aandacht: wat is goed en wat niet? Wat wil de Heer en wat niet? Goede vragen. Maar tegelijk laten ze wel eens een gemis zien aan betrokkenheid op de toekomst.

 

In de bijbel ontmoeten we gelovigen met een vurig verlangen. In sommige christelijke tradities klinkt ook meer toekomstverwachting. Een van de oorzaken dat je hier weinig mee hebt, zou het probleem wel eens kunnen zijn, dat wij ons nauwelijks kunnen voor-stellen hoe het zal zijn. Niemand kan zich er een goed beeld van vormen. Het zal er vol-maakt zijn, maar wat is volmaakt? Als je dat probeert in te vullen, wordt het al lastig. En een ander heeft tegengestelde ideeën. Hoe zou je er dan over praten? En als je er niet over praat, hoe zou je er dan naar leren verlangen? 

 

Het is waar, dat we uiteindelijk niet zoveel weten over het eeuwige leven. De bijbel licht trouwens wel een klein tipje van de sluier op. We weten wat er niet meer is: geen zonde of dood, geen gebrokenheid of verdriet, geen handicaps of rouw. We komen aanspre-kende beelden tegen: een feestelijke bruiloft, een prachtige stad, een geweldige tuin, een royale maaltijd. Vergelijkingen die iets aangeven van de heerlijkheid en van de vreugde die er zal zijn. Maar dan nog weet je haast niets. Er zijn wel mensen, die proberen zich er een beeld van te vormen. Ze beschrijven met christelijke fantasie het leven op de nieuwe aarde. In thema-boekjes. Of in romans. Binnen bepaalde grenzen is dat ook heel goed mogelijk. Maar waar de een enthousiast van wordt, daar haakt de ander af. En het moet niet zo gaan, zoals laatst iemand zei: ‘Toen ik dat boek gelezen had over het eeuwige leven, had ik er voorlopig even geen zin meer in.’

 

Een predikant schreef dertig jaar geleden: ‘Ik heb de indruk dat veel mensen zich het eeuwige leven voorstellen als een grote hollandse kerk, met een geweldig orgel, waar men voordurend zingen zal. Soms durft iemand het te vragen of eeuwig zingen niet wat eentonig wezen zal. Misschien is het maar het beste om te zeggen: Ik weet er niets van, ik wil er ook maar niets van weten. Eén ding weet ik: mijn Heer Jezus zal er wezen.’ Daar ligt de kern van wat de Schrift ons leert over de heerlijkheid. Het is een leven in de ongestoorde gemeenschap met God en in de merkbare aanwezigheid van het Lam.

 

Ook voor het verlangen naar de toekomst komen we weer uit bij de Heer Jezus Christus. Je verbondenheid met Hem blijft toch de slagader van het geloof. Het over-denken van wat Hij voor mij gedaan heeft en nog steeds doet. Het mezelf overgeven in vertrouwen en in bereidheid om Hem te dienen. In die bloedsomloop groeit de verwachting en het verlangen. Want dan is het inderdaad genoeg om te weten: ik zal bij Christus zijn.

 

Waarom is de bijbel zo karig met informatie over wat we in de eeuwigheid zullen doen? Misschien omdat wij dat niet kunnen begrijpen. Maar misschien ook wel, omdat God zijn volk dan wil verrassen met prachtige dingen. Iemand schreef: ‘Gods kinderen zullen grote ogen opzetten als ze in de heerlijkheid binnenkomen. God verheugt zich nu al op de enthousiaste reacties van zijn kinderen op alles wat hen te wachten staat.’ Volgens de catechismus is de inhoud van het eeuwig leven de lofprijzing van God. Dan moet u goed begrijpen, wat de Schrift verstaat onder de lofzang op God. Dat is altijd de lofzang, die opkomt uit spontane blijdschap van het hart. Geen verplichte praise, maar hartelijke lof. De lofzang vanwege bevrediging en ervaring in dagelijkse zaken. De lofzang, waartoe Adam kwam, omdat hij zijn werk in het paradijs mocht doen. De lofzang, die we lezen in het Hooglied, omdat man en vrouw genieten van elkaar. De lofzang, bij de inwijding van de tempel, als de mensen zien, hoe prachtig alles blinkt. De lofzang in de psalmen, als dichters genieten van de schoonheid van de natuur. Als eeuwige lofprijzing het kenmerk is van het leven in de heerlijkheid, dan betekent dat, dat God eeuwig reden geeft om Hem te loven en te prijzen. Dat belooft nog wat.

 

Het verlangen naar de toekomst bloeit op in de band met Christus. Dat verlangen heeft twee bronnen: je eenheid met Christus en je vertrouwen op wat er komt. Als je in ver-langen wilt groeien, dat zul je je op Jezus Christus moeten concentreren. In bijbelstudie en gebed, in praten en zingen. Niet voor niets staan christenen bekend als een zingend volk. Zingen is een manier om de eenheid met Christus in je leven te ervaren en het verlangen naar de toekomst te trainen.

 

3.Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus. Dat geeft mij kracht.

 

Als de kinderen van ‘De Triangel’ op schoolreisje gaan, dan komen er grote touringcars bij de school. De kinderen komen anders op school. Vaak hebben ze het reisje voorbe-reid. Het plezier straalt ervan af. Ze hebben er zin in. Het steekt de begeleiders aan. Ook de buschauffeur doet mee, door toeterend te vertrkken. De voorpret begint op school en in de bus. Soms minstens zo leuk als de bestemming. De voorpret hoort al bij het feest.

 

In de bijbel wordt het leven vaak een reis genoemd. We zijn op weg naar de nieuwe wereld. En ieder is persoonlijk als christen op weg naar de heerlijkheid. Maar de reis daarheen, staat daar niet los van! Alsof het nu alleen maar zuchten en kreunen is, tobben en worstelen, om later ineens om te slaan in feesten en genieten. Natuurlijk is hier verdriet, spanning en problemen. Maar de reis wordt wel gekleurd door de bestemming. Het heden wordt gekleurd vanuit de toekomst. We mogen nu de voorpret van het geloof kennen. In de catechismus staat: nu al mag ik het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voelen. Wie in Christus gelooft, die heeft het eeuwige leven al! Je bent door Christus al bevrijd van de dood en van de angst voor de dood, lezen we in de Hebreeënbrief. De keizer vond het knap vervelend: op die christenen had hij geen vat, want ze waren niet bang voor de dood. Dat gaf hen kracht. Ze gingen zingend de arena in. De toekomst geeft kracht. Die verlossing is in het verleden verdiend, wordt in het heden uitgedeeld, om in de toekomst voltooid te worden. 

 

Dat is het bijzondere van de toekomst, zoals de bijbel daarover spreekt. Die toekomst is al begonnen. We denken niet alleen na over later, maar dat denken is direct verbonden aan ons leven nu. Dat geeft de spanning die kenmerkend is voor deze tussentijd: de spanning tussen belofte en vervulling. De toekomst wordt hier en nu al zichtbaar. Het leven dat de Heilige Geest geeft. De hoop die een gelovig mens ontvangt. De liefde die merkbaar wordt tussen mensen. Het geloof dat je, hoe aangevochten soms ook, ziet bij kinderen van God. Het is alsof de geuren van het eten al in huis hangen: de maaltijd wordt heerlijk. Je snuift er nu al iets van op en geniet er al van. De toekomst werpt licht op het heden. Daarom heeft het voor het leven van vandaag zin om te weten wat de grote morgen brengen zal. Als je je verdiept in je toekomst, dan komt er vruchtbare spanning en beweging in je leven. Daardoor verdiept zich zowel het klaaglied als de lofzang.

 

Weten waarheen je op weg bent. Dat is altijd belangrijk voor mensen die op reis zijn. Als je weet waar je heengaat, kun je de goede route kiezen. Keuzes moet je immers steeds maken. Als je je reisdoel in het oog blijft houden, kun je ook zien als een keuze verkeerd blijkt te zijn, om je om te keren en een stukje terug te gaan. Je blijft ook gemotiveerd om het vol te houden, ook als je tegenslagen ontmoet, of in een file terecht komt. Die motivatie geeft kracht om door te gaan, ook al ben je misschien heel moe. Als je weet waarheen je op weg bent, kun je bovendien afspraken maken met mensen, die hetzelfde reisdoel hebben. Om samenop te reizen, of halverwege even af te spreken.  

 

Een mens is vergankelijk. Het besef daarvan roept angst op. De Schrift spreekt heel nuchter over sterven en dan … De catechismus vraagt naar de persoonlijke troost. Mijn toekomst ligt in handen van Jezus Christus. Het uitzicht, dat Hij geeft, geeft moed om zelfs de dood in de ogen te kijken. Het wekt verlangen op naar wat er komen gaat. Het geeft mij hier en nu de kracht om vol te houden. De toekomst begint hier en nu. Het eeuwige leven voor een kind van God. 

 

Amen

 

Ds. Kees van Dusseldorp

Vanaf 2007 tot 2012 is ds. Kees van Dusseldorp predikant geweest van onze gemeente. Preken die in die periode door hem zijn gehouden staan hier als naslagwerk. Wilt u een preek gebruiken, neem dan contact op met de dominee.

Website: keesvandusseldorp.wordpress.com/
terug naar boven