Lucas 22: 31 en 32

Preek over Lucas 22:31-32
Lezen Lucas 22:14-38
Capelle aan den IJssel, 6 april 2014
C. van Dijk


Tekst Lucas 22: 31 en 32
Ps 25: 1 en 2
wet
Ps 80: 1 en 10
gebed
lezen Lucas 22: 14 - 38
Opw. 706
Tekst: Lucas 22: 31 en 32
preek
Gez 106
gebed
collecte
Ps 56: 3 en 4

Gemeente van Christus,

Wat kan het je goed doen als er iemand voor je bidt. Als je een band met iemand hebt die zo vertrouwelijk is, dat je samen voor de Here komt. Bidden tot God.

Of dat je iemand iets over jezelf vertelt. Over wat je moeilijk vindt. En dat je dan terug hoort: ik zal voor je bidden.

Of iemand ziet het gewoon aan je. En hij of zij zegt: ik zal voor je bidden.

Wat doet dat goed.

Zelf vind ik het altijd een bijzondere ervaring. Als er iemand dat tegen me zegt. Ik zal voor je bidden. En zeker nu we als gezin spannende weken doormaken rond het beroep uit Ommen is het prachtig dat van mensen te horen en te lezen. Maar we bidden ook voor u, dominee.

En we bidden voor de broeders in de kerkenraad. En voor broeders en zusters die het moeilijk hebben.

Bidden voor elkaar. Dat is iets heel bijzonders. Het is machtig, bidden.

En tegelijk is het zo onmachtig.

Ik zal voor je bidden. Wanneer zeg je dat? Vaak als je niets beters weet. Alsof je iets beters zou kunnen doen, trouwens. Iets beters dan voor elkaar te bidden. Je kunt op bezoek gaan, je kunt praten, je kunt helpen, boodschappen doen, troosten, op kinderen passen. Weet ik veel wat je allemaal voor elkaar kunt doen.

En vaak is dat het eerste dat we voor onze naaste doen. En als we helemaal aan het eind zijn. Als we niets meer kunnen doen voor onze naaste. Ik kan je niet opbeuren. Ik kan je niet je geliefde teruggeven. Ik kan niet maken dat alles anders wordt. Pas dan zeggen we het vaak: ik zal voor je bidden.

Wat ligt er vaak niet onze onmacht in.

Het lijden van een ander, je kunt het niet van hem of haar afnemen. Je kunt niet mee.

Ik zal voor je bidden. Ook als jij het niet kunt. Dan zal ik het doen.

Machtig onmachtig. Maar wat mooi. Goeie genade, wat doen we voor elkaar. Iemand opdragen aan de Almachtige.  

*

We lazen een gedeelte uit het lijdensevangelie. Christus maakt zich op om te gaan lijden. Niemand kan mee. Niemand kan het voorkomen. Hij gaat. ‘Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is.

Hij is vastbesloten. Hij ziet er tegenop, straks in Gethsemané zal het blijken. ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’

Hij ziet er tegenop. Maar dat is niet het eerste en zeker niet het enige wat we moeten zeggen. ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt.’ Jezus verlangt er hevig naar. Het paaslam te zijn. Hij zit te eten met zijn ogen gericht op de heerlijke vervulling van het Pascha. Hij wil het offer brengen. Grenzeloos vol liefde voor zijn volk.

En zijn vastbesloten zijn blijkt. Hij neemt een gelofte op zich. Jezus de Nazireeër. Voor Mij geen wijn of sterke drank meer. Ik heb een missie. De grote opdracht. Verzoening tussen God en mensen. Eeuwig leven voor mensen midden in de dood. Als offerlam dienst doen. God gaat zich voorzien van een Lam.

En dan maakt Hij dat helemaal duidelijk door in de staart van de Paschamaaltijd dat bijzondere moment in te lassen. Brood en wijn ter gedachtenis aan zijn lichaam en bloed. Het is zo ver. God gaat zichzelf voorzien van een Lam ten brandoffer.

Onstuitbaar gaat het door. Gods koninklijke plan tot verlossing. Dwars door de zondige daden van mensen heen. Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, Het is zijn vaste plan. Zijn eigen actieve daad. En daar past ook het verraad van Judas in. Het is geen streek door de rekening. Er valt geen plan in duigen. Er stort niets in. Alleen de verrader zelf. Wee de mens die hem zal uitleveren..

De koninklijke weg van de Dienaar. De Dienaar. De Nederige. In alle nederigheid is het een koninklijke weg. Een lijdende Vorst. Voor wie bij Hem blijft is Hij royaal. Een Vorst die koninklijk uitdeelt: Ik bestem jullie voor het koningschap

Ik deel het uit, zoals Mijn Vader het uitdeelt.  Eet van de koninklijke tafel. Zit op hoge tronen. Heel het volk van God zal worden geoordeeld volgens het apostolische getuigenis van die twaalf apostelen. 

Koninklijk is de weg van Jezus. Toekomst heeft het. Eeuwige toekomst.

*

Maar nu het lijden. Het lijden, dat staat daar centraal in. In die koninklijke weg. Daar gebeurt het. Daar wordt die toekomst zeker gesteld. De discipelen krijgen een compliment: Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven. Toen iedereen wegging, bleven jullie. “Willen jullie ook maar niet gaan?” “Tot wie zouden wij heengaan, U hebt woorden van eeuwig leven. “

Maar nu het lijden. Jullie zijn steeds bij Mij gebleven. Maar nu niet meer. Nu kan dat niet meer. Jezus volgen. Dat heeft een grens. Er is een beker die Hij alleen heeft te drinken.

‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ Petrus, je redt het niet. Zoals je het nu zegt kan het niet. Het is grootspraak. Lief van je, goed bedoeld, je hart klopt van liefde voor mij, maar verkeerd. Hoogmoedig. Onwijs. Kun je niet.

Je kunt niet voor me vechten. Je snapt het niet. Nu niet. Geen zwaarden tellen. Pas als je je bekeerd hebt is jouw kracht van waarde. Als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.

Jezus moet alleen. Alleen lijden. Alleen aan het kruis, alleen onder de toorn van God door.  Niemand kan mee. In zijn lijden is Hij niet te volgen. Dat gaat boven onze macht.

Wat nu? Wat nu?

“Here, we kunnen niet met U mee. We zijn onmachtig. Maar we zullen voor U bidden? “

Nee, zelfs dat niet. Zelfs dat niet.

Waar Christus komt, daar wordt je verlost. Daar wordt je helemaal vrijgesteld. Dit lijden, daar staan alle mensen buiten. Daar werkt niemand in positieve zin aan mee. Niemand zal voor Hem bidden. Dat is niet nodig. Uniek in het verlossend lijden. Uniek in het hogepriesterlijke werk. Offeren voor het volk. Hij alleen.

Hogepriesterlijk. Ook in het gebed. “Ik heb voor je gebeden.” Ik heb voor je gebeden, Simon. Dat jouw geloof niet zou bezwijken. Er is er Een die voor je gebeden heeft. Niks ik zal voor U bidden. Ik heb al voor jou gebeden.

Dat je geloof niet zou bezwijken. Want Simon en de andere apostelen: het wordt niet makkelijk. Ik heb voor je gebeden. Want je geloof komt onder zware druk. Je snapt er niets meer van. Die drie jaren met Jezus, drie jaren achter Jezus aan, heel je ambtsperiode, het breekt je bij de handen af. Geen ministersposten te verdelen. Als puntje bij paaltje komt. Als de spijkers en de balken komen, dan sta je er buiten, Simon, en alle andere apostelen. Je kunt niet mee.

En dat vraagt veel van je geloof. Vraagt om bekering van je hoogmoedige hart.

Dat je helemaal niets kunt bijdragen. Dat je in plaats van medestander en medewerker daar bij het kruis gewoon tussen de andere mensen moet staan. Tussen huilers en spotters. Tussen spottende priesters en een verwonderde hoofdman. En je kunt niets. Geen medewerker. Maar consument. Klant van het kruis. Geen medewerker.

En tegelijk wat heerlijk: Ik heb voor je gebeden. Dat je geloof niet zou bezwijken.

Want Christus is een complete Zaligmaker. Hij bidt voor zijn apostelen. En Hij weet ook van de aanvallen op Gods kinderen.

Weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven.

De satan had dat geclaimd bij God. Het recht om de apostelen door de mangel te halen.

Zoals we dat bijvoorbeeld ook lezen in het begin van het boek Job, dat de duivel van God de bevoegdheid opeist om Job door de mangel te halen.

En de Here staat het de duivel toe. Hij mag de discipelen zeven als graan. Hij mag ze isoleren van Jezus. Hij mag er voor zorgen dat Christus in zijn lijden helemaal alleen is. Dat op het moment van zijn lijden ook zijn discipelen in verwarring en in twijfel zijn.

Dat recht heeft de satan. Niemand kan mee. Gods Zoon alleen aan het hout. Ook zonder de morele steun van zijn leerlingen.

Maar waar blijven ze, die discipelen? Waar blijven de discipelen als ze aan hun lot worden overgelaten?

De duivel zeeft als graan. Hij schudt de zeef. Want hij heeft recht op het kaf. En hij wil het van het koren scheiden.

En Christus zegt: “Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken.”

De satan schudt aan de zeef. En hij wil dat ze allemaal weggeblazen worden als kaf voor de wind. Maar Jezus heeft gebeden dat hun geloof niet zou bezwijken. Behalve de satan schudt er nog Iemand aan de zeef. Jezus buigt zich om zo te zeggen over de satan heen en grijpt eveneens met beide handen de zeef waar in de zijnen zich bevinden en schudt mee. Hij wil het gereinigde koren overhouden. Het koren moet in zijn schuur. Het kaf in het onuitblusbare vuur.

En Christus bidt. “Maar”. Maar, daar ligt de beslissing. Ik heb voor je gebeden. Dat je geloof niet zou bezwijken. Wat een butsen en deuken. Wat wordt je geschud en geslagen. Wat een vraagtekens. Wat een onbegrijpelijke dagen hebben ze voor de boeg, die discipelen.

De Meester gevangen. De Meester geslagen. De Meester aan het kruis. De Meester begraven. Alles breekt bij de handen af. “Ik heb voor je gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken.” Simon. Simon, als puntje bij paaltje komt. Als de spijkers komen en de balken, dan ben je geen rotsman, geen Petrus. Maar Simon. Je gaat onderuit. Diep onderuit nog deze nacht. Tot drie keer toe.

Maar Ik heb voor je gebeden. Dat het voornaamste, dat de grond onder je leven niet zal wijken. Bij je verloochening. Je valt diep. Maar het doorstaat het, dat geloof. Als Christus het later aan hem vraagt, kan hij eerlijk in zijn hart laten kijken: U weet dat ik U liefheb. En dat is genoeg. Want: Ik heb voor je gebeden.

De duivel hij gaat rond. Ook vandaag nog. Als een brullende leeuw zoekt hij prooi. Ook in onze gemeente. En wat een verdriet, als hij er weer eentje tussen zijn tanden krijgt. Wat een verdriet als je om iemand geeft, van iemand houdt, en hij of zij laat de Here los.

Wat een verdriet ook voor ouders, voor ambtsdragers. Achter iedereen die zich onttrekt en echt de wereld in gaat, staan ze, die verdrietige mensen. Die daar ook weer uit moeten komen. Voor het aangezicht van de Here.

Weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Ook vandaag is dat nog aan de gang. Dat ziften, dat uiteengeslagen worden van tarwekorrels en kaf. En West Europa vandaag is dan misschien wel de dorsvloer van de christelijke kerk. Hier waait het het hardst. Hier ben je zomaar weggeblazen op de wind van de secularisatie.

Hoe ben je tarwekorrel? En geen kaf... Hoe krijg je gewicht? Door gewichtig te doen? Door je best te doen? Door hard te hollen voor kerk en voor naaste?

Speelt een rol. Speelt een grote rol. Maar vergeet niet het voornaamste: Niet wat jij doet, maar wat Hij doet! Je hebt iets met de Heer. Hij is je Meester. Hij zit in de hemel en bidt voor zijn volk. “Ik heb voor je gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken.” Dat heeft Hij uitgesproken voor ieder die leeft in verbond met God.

En beroep je nu voor jezelf, voor jezelf allereerst op dat gebed van Christus. Bidt het mee. “Here, onderhoud mijn geloof. Laat me niet vallen.” Onderken het, die strijd met de duivel. De aanvallen op je leven. En weersta hem, vast in het geloof. Het geloof. “Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken.” Er is in Petrus heel wat bezweken, zijn trouw is bezweken, zijn onkreukbare gedrag is bezweken in de leugen: “ik ken hem niet eens!” , zijn trots, gelukkig ook die is bezweken. Maar niet zijn geloof. Hij ging naar buiten en huilde bitter.

De dorsvloer van de christelijke kerk.

Zie je het? Die invloed van de duivel?  Zie je het, als je wilt kiezen voor jezelf, je eigen gemak, je eigen geld en je eigen carrière? Zie je hem er in rondgaan? Als je het individualisme ook in de kerk toelaat: “ik doe wat ik voel en als goed ervaar...”

Zie je hem rondgaan, als je modieus wilt meedoen en overal van zegt, dat je het nog zo net niet weet. Vooral niets zeker weten. Ruimte houden voor andere opvattingen. De kerk leert het al bijna tweeduizend jaar. De belijdenis zegt het al eeuwenlang uit Gods Woord na. Maar ik weet het nog zo net niet. Want ik voel het niet zo...

Zie je de duivel er in rondgaan?

Zie je de duivel als je te bang bent om te luisteren en echt een broeder of zuster te ontmoeten die er in jouw ogen vreemde opvattingen op na houdt? Altijd bereid tot verantwoording, of altijd bereid tot veroordeling tot afbranden? Slechte onderlinge verhoudingen, een verkeerde discussiestijl. De vorst van de duisternis zit er persoonlijk achter.

En dan dat vervullen van de ambten. Aantrekkelijke taak is dat. Wie durft er nog? “Dat kan ik vast niet. Dat trek ik niet. Zeker als ik dat hoor van die werkdruk en zo. Mij niet gezien.”

En de duivel grinnikt op de achtergrond. Als wij ons laten inpakken door een spiraal van negatief denken. Pas op, bekeer je ervan. En probeer eerlijk te kijken naar waar de roeping van de Here ligt. Eerlijk. Weet wat Hij van je vraagt. Voor zijn aangezicht beslissen. Op dat hoge niveau voor de troon van de Allerhoogste. En als Hij je vrijstelt. Dan ben je vrijgesteld. En als Hij zegt ga, ga dan. Ik zeg het tegen de op tal gezette broeders, ik zeg het net zo goed tegen mezelf vandaag.  Denk niet klein van je gaven. Dan denk je klein van wat God geeft. Zijn gaven. En dan wil je vandaag hebben wat je morgen nodig hebt.

Want ook al hebt u weinig invloed, u bent trouw gebleven aan wat ik heb gezegd en hebt mijn naam niet verloochend  “Gij hebt kleine kracht. Maar ge hebt mijn Woord bewaard en mijn naam niet verloochend.” verloochend.

“Ik heb voor je gebeden.”

Hij, de hemelse hogepriester.

Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die u ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn. Zolang ik bij hen was heb ik hen door uw naam, die u mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging..

Ik vraag niet of u hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of u hen wilt beschermen tegen de duivel.

Zijn gevouwen handen liggen onder ons leven. Onder ons gemeenteleven. Denk je dat eens in. Niet om wat wij meebrengen in de dienst van de Here. Niet omdat wij zo goed georganiseerd zijn, zo hoogbegaafd van ons zelf. Niet omdat we zulke wijze broeders in de kerkenraad hebben. Maar omdat Hij voor ons gebeden heeft.

Zullen we het zo durven? Kerk zijn op de dorsvloer? Ook durven om ambtsdrager te blijven, te worden? God werkt zijn plan uit. Koninklijk. Soeverein. Zijn plan van verkiezing en verwerping. En als het aankomt op het voornaamste, dan sta je er buiten. Bij het kruis is Jezus alleen. Niemand kan Hem volgen. Niemand kan mee. Hij doet het helemaal alleen. Dat is zijn stijl. Ook vandaag nog. Hij verkiest en verwerpt. En daar mag je in dienen. In dat door God geregisseerde gebeuren. Dat geeft ook rust. Dat hoe zwak en gebrekkig je ook je werk doet, als het gedaan wordt in gelovig opzien tot God, dan is het genoeg. Dan is het bruikbaar in dat plan van God.

De zeef wordt geschud. Verkiezing en verwerping. De duivel wil het kaf. God zoekt de korrel. En het schudden gaat hard. En de wind blaast. En je ziet het kaf gaan. God wees de zondaren genadig. God wees mij genadig. “Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken.”

Er zal er niet een verloren gaan. Niet een die de Vader aan de Zoon gegeven heeft. Er gaat er niet een verloren dan hij die verloren moet gaan, de zoon des verderfs. De zoon die in de paasnacht naar buiten loopt. Die niet wil schuilen onder het bloed aan de deurposten. Het bloed van het Lam. Wee, die mens.

Spannend is de tijd. Maar Christus’ gevouwen handen liggen onder ons leven. “Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken.”

Je bent klein, machteloos. Maar Ik bestem jullie voor het koningschap.

Dat vraagt geloof. Zo groot denken van Christus. Ook en juist als Hij zo zwak en machteloos is. Als Hij gebonden voor de hogepriester staat. Dat is mijn Heer, ja. Daar hoor ik bij. Als Hij aan het kruis hangt. Want dat heb ik echt nodig, dat Hij daar hangt. Voor al die hoogmoed van me, voor al die luiheid van me. Voor al onmacht van me, die gebrokenheid.

“Ik kan niets voor je doen. Ik kan alleen maar voor je bidden. Ik kan alleen maar de naam van de gekruisigde noemen. Ik kan je het geloof niet geven. Ik kan je twijfels niet wegpraten. Ik kan je geen liefde voor Christus kerk geven. Ik kan voor je bidden en ik kan je de naam van de Gekruisigde noemen.”

En Hij heeft voor jou gebeden. Vanochtend nog, anders zat je hier niet. Hij heeft voor jou gebeden. En daarom bid ik ook maar mee. Zo kunnen we de broeders en zusters sterken. Onmachtig. En machtig tegelijk. Putten uit Christus’ goede genade.

Christus doet hier dienst als de grote hogepriester die ons de toegang geeft tot de troon van de genade. Om daar hulp te verkrijgen.

Laten we vertrouwen op de grote Hogepriester. In ons omzien naar elkaar. In de trouwe voorbede voor elkaar. In gebed voor de gemeente. Vraag de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.

*

Christus’ gevouwen handen onder ons leven. Wat kan er dan ook veel. Petrus wilde het uit eigen kracht. Het kon niet. ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ En voor de haan kraaide ging het drie keer vreselijk mis.

Petrus kon het niet in eigen kracht. Maar tenslotte kon hij het wel. Gevangenis en dood ingaan. Maar toen had hij begrepen wat het betekent, als je dat zegt: ik ben bereid om met U te gaan...

Met U ben ik bereid.

Niet met Christus mee. Samen de kar trekken, nee. Christus gaat als het er op aan komt alleen. Maar op sleeptouw van Christus. Getrokken en geleid door Hem, in diepe afhankelijkheid van Hem. Wat kan er dan veel.

Door U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan.

Door U ben ik bereid het ziekenhuis in te gaan, met een ongewisse uitslag.

Door U ben ik bereid me dienstbaar op te stellen. Te luisteren, te vermanen.

Door U ben ik bereid diepgang te geven aan alledaagse contacten. De honger naar God te horen en er op in het spreken in het gedrag van mijn naaste. Mijn naaste in de kerk en daar buiten.

Door U ben ik bereid mijn man drie jaar lang veel af te staan.

Door U ben ik bereid te gaan als U me roept.

Door U. Als U maar bidt. Here Jezus. Amen.  

Ds. Kees van Dijk

Vanaf eind 2003 tot begin 2014 is ds. Kees van Dijk predikant geweest bij onze zustergemeente van Capelle-Noord. De preken die in die periode door hem zijn gehouden staan hier als naslagwerk. Wilt u een van deze preken gebruiken, neem dan contact op met de dominee.

Website: ommen-no.gkv.nl/
terug naar boven